De veelgeliefde Zoon van de Vader
Vraag:
Mogen we de uitdrukking ‘Veelgeliefde’ wel gebruiken als we spreken over de Heere Jezus?
Antwoord:
Er is inderdaad weleens gesuggereerd dat we niet kunnen spreken over de Veelgeliefde van de Vader, omdat de Schrift die uitdrukking nooit gebruikt en omdat de liefde van de Vader voor de Zoon niet kan toenemen en dus niet met overtreffende trappen kan worden omschreven.
Nu is het zeker zo, dat Gods Woord onder andere spreekt over de liefde van God en over ‘Mijn Geliefde’, maar dat de Schrift de Naam ‘Veelgeliefde’ niet gebruikt. Maar is die uitdrukking daarom verkeerd?
Er is een speciale, eeuwige liefde van de Vader voor de Zoon, zoals bijvoorbeeld Johannes 17:24 ons laat zien. De Zoon is ‘de Zoon van de liefde van de Vader’ (zie Kol. 1:13). Hij is ‘De Zoon van de Vader’
(2 Joh. 1:3). En het is zeker zo dat de Vader de Zoon van eeuwigheid af liefheeft met een nooit veranderende, nooit toe- of afnemende liefde. Hij is voor de Vader ‘Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’; dit getuigt de Vader bij Zijn doop (Matth. 3:17). De Vader spreekt tot Hem en zegt: ‘U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen’ (Mark. 1:11; Luk. 3:22). God spreekt over Hem als ‘Mijn Geliefde in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft’ (Matth. 12:18). En op de berg der verheerlijking getuigt de Vader opnieuw: ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’ (Matth. 17:5).
Dus spreekt de Vader inderdaad niet met woorden als: ‘U bent Mijn Veelgeliefde’. Maar als wij vanuit ons perspectief naar de Zoon kijken, wat zien we dan anders dan dat de volheid van liefde van het Vaderhart geheel en al uitgaat naar de Zoon? Naar de eeuwige Zoon, maar ook naar de Mens geworden Zoon (Joh. 17:23) en ook naar Hem als Degene Die het werk heeft volbracht en door Zijn lijden, sterven en opstanding nog des te meer reden aan de Vader heeft gegeven Hem lief te hebben (Joh. 10:17). Ook het feit dat de Zoon het werk heeft voleindigd dat de Vader Hem te doen gaf, is een reden tot uiting voor de liefde van de Vader; Hij heeft immers het werk tot Gods verheerlijking en voldoening volbracht (Joh. 4:34; 17:4), toen Hij aan God de eer teruggaf die niet Hij, maar wij hadden geroofd (Ps. 69:5). Wat een wonder dat de Vader (in het beeld van Jeremia 12:7) de ‘Beminde van Zijn ziel’ in de hand van vijanden wilde geven!
Is de liefde van God en de liefde van de Vader eeuwig onveranderlijk? Zeker! Een grotere liefde dan die Goddelijke liefde is niet denkbaar. God Zelf is Liefde en heeft al de liefde van Zijn hart geopenbaard in de Zoon. Alle liefde van het Vaderhart gaat eeuwig uit naar de Zoon van Zijn liefde.
Maar als wij naar die liefde kijken, dan komt er vanuit menselijk perspectief wel degelijk een diepe ver- en bewondering en aanbidding in onze harten op. Dan zeggen we met de apostel Johannes: ‘Zó lief heeft God de wereld gehad’ (Joh. 3:16) en: ‘Zie, welk een liefde de Vader ons gegeven heeft’ (1 Joh. 3:1).
We zien iets vergelijkbaars bij de woordkeuze in verband met het beloofde land. God zegt in Exodus 3:8 (en ook in latere gedeelten) dat het een goed land is. Als Hij zegt dat het goed is, dan is het optimaal. Hij hoeft geen overtreffende trappen te gebruiken.
Maar als later in Numeri 14:7 Jozua en Kaleb getuigen over dat land, nadat ze er met tien andere verspieders waren geweest, zeggen ze: ‘Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een bijzonder goed land’. De Duitse Elberfelder geeft hier conform de grondtekst: ‘… is zeer, zeer goed’. Wat God goed noemt, is immers in de ogen van de mens vanzelfsprekend uitnemend goed en onbeschrijflijk mooi. Bij de beschrijving door mensen mogen dus gerust overtreffende trappen worden gebruikt.
Als bij de liefde die God voor deze wereld had, en bij de liefde van de Vader voor ons al woorden worden gebruikt die duiden op de hoedanigheid, het verheven wezen en de onbegrensde omvang van die liefde, zou het dan verkeerd zijn als wij zeggen: als wij zien met welk een eeuwige liefde, waardering en diepe vreugde de Vader naar de Zoon kijkt, dan komt er in ons hart op: hoe groot is toch die liefde! Hij is veelgeliefd, oneindig geliefd met een Goddelijke liefde die eeuwig woont in het Vaderhart!
Onze menselijke taal is beperkt, maar toch mogen we proberen die aanbiddende verwondering onder woorden te brengen. Er is dan ook, vanuit ons perspectief, alle reden om op dezelfde manier als broeders van voorgaande generaties van harte te zingen:
‘Wie is als U, Gods Veelgeliefde?!’
E.H.W. Luimes