De ware Dienaar en Gever
Lessen uit Romeinen 12:6-8
In de eerste verzen van Romeinen 12 vinden we de bekende aansporing om ons lichaam te stellen tot een levend offer, heilig, voor God welbehaaglijk. In het besef dat mijn hele lichaam Gods eigendom is, duur gekocht door Christus (1 Kor. 6:19) mag nederigheid mij vervullen en hoor ik niet hoger te denken dan gepast is (vs. 3-5), omdat het lichaam van Christus uit vele leden bestaat en elk lid daarin zijn waardevolle functie heeft. Er is daarom geen enkele reden waarom ik me als lid van Christus’ lichaam zou verheffen boven anderen. Zo zegt Filippi 2:3 het ons: ‘Maar in ootmoed achte de een de ander uitnemender dan zichzelf’.
Na de inleidende verzen van Romeinen 12:1-5 komt de apostel, geleid door Gods Geest, op het thema van de gaven. De verzen 6-8 zeggen ons:
‘Daar wij nu verschillende genadegaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, hetzij profetie, naar de maat van het geloof; hetzij dienst, in het dienen; hetzij die leert, in het leren; hetzij die vermaant, in het vermanen; wie meedeelt, in eenvoudigheid; wie leiding geeft, met ijver; wie barmhartigheid bewijst, met blijmoedigheid’.
In Romeinen 12, 1 Korinthe 12 en Efeze 4 wordt ons onderwijs gegeven over gaven. Er wordt telkens een aantal gaven concreet genoemd. Geen van deze drie opsommingen is compleet. In Efeze 4 vinden we de geestelijke gaven: die van apostel en nieuwtestamentische profeten – gaven van de begintijd, toen het fundament van de Gemeente als Gods huis werd gelegd (Ef. 2:20). In 1 Korinthe 12 vinden we naast blijvende gaven ook tijdelijke gaven genoemd die nodig waren om het Woord van God te bevestigen (Mark. 16:16-18; Hebr. 2:4). In Romeinen 12 vinden we zowel geestelijke als praktische gaven en ze zijn schijnbaar zonder enige rangorde of groepering door elkaar vermeld.
Door de vermaning in de eerste verzen van dit hoofdstuk om ons lichaam te stellen tot een levend offer, worden we al herinnerd aan het volmaakte voorbeeld van de Heere Jezus: Hij gaf Zichzelf geheel en al als een offergave en een slachtoffer, voor God tot een welriekende reuk. Hij was alles, maar maakte Zichzelf tot niets; Hij, de hoogverheven Zoon van God, nam de nederigste plaats in die maar denkbaar was: de plaats van een slaaf. Zijn vernedering ging nóg verder toen Hij gehoorzaam werd tot de dood, ja, tot de dood van het kruis.
Als het nu vanaf vers 6 gaat over de gaven, mogen we ons ervan bewust zijn: de uitoefening van elke gave moet gebeuren in de gezindheid van Christus, een gezindheid van overgave, toewijding aan God, nederigheid en de wens de mensen om ons heen te dienen. Hoeveel kunnen we hierin leren van onze geliefde Heere Jezus! Maar het lag op mijn hart om ook iets te laten zien van de Heere Jezus Zelf in elk van de zeven genoemde gaven.
Profeteren: een profeet is een boodschapper van God. De Heere Jezus was een trouwe en betrouwbare Getuige en Boodschapper van Godswege. Mozes had in Deuteronomium 18:15-18 al de komst van een Profeet van Godswege ‘uit hun midden’ aangekondigd, ‘naar Hem moet u luisteren’. Dat wat de Zoon bij Zijn vader had gehoord, gaf Hij als de volmaakte Profeet zó ongewijzigd door aan de mensen.
Dienen: dienen kunnen we op vele manieren. Ook een dienst in het woord naar de wereld toe of onder de gelovigen is een vorm van dienen. Maar in dit vers ligt de nadruk op praktische dienst. In elk opzicht was de Heere Jezus de volmaakte Dienstknecht – dus ook in dergelijke praktische dingen. Denk maar aan de voetwassing in Johannes 13, toen Hij het werk van een dienstknecht deed, aan het ontbijt aan de oever van de zee in Johannes 21, toen de discipelen zó konden eten, zonder enig werk van hun kant, aan het feit dat Hij altijd bereikbaar was, voor individuele mensen zowel als voor mensenmassa’s, voor Joden zowel als voor een heidense, Syro-Fenicische vrouw.
Leren: onze Heere was de volmaakte Leraar. Beter dan wie ook kende Hij de Schriften, de leer van Gods Woord, maar Hij gaf die leer ook betrouwbaar door (Titus 1:9 spreekt over ‘het naar de leer betrouwbare Woord’). Hij onderwees de mensen met zachtmoedigheid, maar waar nodig onderscheidde Hij ook dat een helder woord, ja, zelfs een scherpe veroordeling nodig was. Denk maar aan de bergrede, waar Hij Zich richtte tot de massa’s uit Israël, aan Zijn laatste woorden in Johannes 13-16, gericht tot de discipelen, aan Lukas 4, toen Hij woorden van genade sprak in de synagoge in Nazareth. Hij hield altijd rekening met Zijn toehoorders, met hun begrip en hun morele en geestelijke toestand. Tegen de leiders van het volk kon Hij zeggen: ‘adderengebroed’, tegen Nicodémus: ‘Bent u de leraar van Israël en weet deze dingen niet?’ Zacht vermanend wees Hij de rijke jongeling terecht: ‘Eén ding ontbreekt u’.
Vermanen: het Griekse woord duidt niet alleen maar op correctie, maar ook op troost, bemoediging, aansporing. Hoe veel mensen heeft de Heere Jezus troost geboden?! Denk maar aan de beide zussen in Bethanië, aan Jaïrus en zijn vrouw, aan Zijn moeder, toen Hij haar, lijdend aan het kruis, nog toevertrouwde aan de liefdevolle zorg van de discipel die Hij liefhad. Denk ook aan het feit dat Hij de inwoners van Jeruzalem had willen bijeenvergaderen zoals een hen haar kuikens, maar ‘u hebt niet gewild’. Toen moest Hij wenen over deze stad, die geen Goddelijke troost en vermaning wilde aannemen.
Meedelen: dit woord duidt het ‘meedelen’ van je bezittingen aan, het delen ervan met bijvoorbeeld armen (verg. Hebr. 13:16). Hoewel de Heere Jezus als God alles bezat en het ‘vee op de duizend bergen’ Hem toebehoort, leefde Hij toch als Mens in armoede. Hij had geen plek waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen; toen er belasting betaald moest worden, was er geen goed gevulde portemonnee; toen het ging om de vraag van wie er een afbeelding op een munt stond, liet Hij die munt niet Zelf zien, maar moest Hij het zeggen: ‘Toon Mij een denaar’. Hij was de arme, wijze Man uit Prediker 9, aan Wie niemand dacht.
Toch… was Hij altijd de Gever, Die meedeelde in eenvoudigheid, in oprechtheid en zonder bijbedoelingen. Nooit gaf Hij iets om de mensen om te kopen of achter Zich aan te trekken. Van alle mensen die van Zijn vrijgevigheid profiteerden, was er maar een handjevol mensen die Hem volgden. Bij het kruis was Hij door bijna allen verlaten; in Handelingen 1 waren er maar 120 bijeen, in plaats van de duizenden die Hij had gevoed, genezen en geholpen.
Hij gaf aan de weduwe van Naïn haar enige zoon terug. Toen Petrus in Mattheüs 17 overijverig beweerde dat de Heere Jezus uiteraard ook belasting betaalde, berispte de Heere hem niet rechtstreeks, maar corrigeerde Hij die opmerking wel vriendelijk door te stellen dat ‘de zonen vrij zijn’. En vervolgens voorzag Hij als Zoon van de Allerhoogste genadig in een stater ‘voor Mij en jou’. Toen menigten hongerig naar huis dreigden te gaan, stelde Hij de discipelen op de proef (‘Geeft ú hun te eten’), om daarna Zelf in grote overvloed te voorzien in vis en brood – wat in Johannes 6 aanleiding werd om te spreken over het Brood uit de hemel en over het leven dat Hij wil geven aan iedereen die in geloof naar Hem toe komt.
Leiding geven: het gaat hier uiteraard niet om leiding geven in politiek, maatschappij of handel, maar om het geven van geestelijke leiding, om het richting wijzen door het Woord van God, om het vooropgaan op de geloofsweg, om het hoeden en bescherming geven aan de kudde. Hoe volmaakt heeft de Heere Jezus dat gedaan ten opzichte van Zijn eigen discipelen! In het bewustzijn dat Zijn dood hen zou schokken, heeft Hij hen daarop voorbereid door te spreken over Zijn verwerping, lijden, sterven en opstanding. Hoewel ze het niet vatten, zien we hierin Zijn liefdevolle zorg en aandacht. In het besef dat Petrus Hem zou verloochenen, waarschuwde Hij hem en bereidde Hij hem erop voor: nog voor de haan kraait, zul je Mij drie keer verloochenen. Maar Petrus ontkende het met alle kracht. Tóch voegt de Heere eraan toe: Petrus, als je eenmaal teruggekeerd bent, versterk dan je broeders (Luk. 22:31-32). Zo gaf Hij leiding aan Petrus, om hem bij voorbaat te behoeden voor een definitieve geestelijke val.
Barmhartigheid bewijzen: denken we dan niet onmiddellijk aan de ware barmhartige Samaritaan, aan Hem Die verworpen en veracht was zoals de Samaritanen, Die daarom vals en gemeen Zelf een ‘Samaritaan’ werd genoemd? Was Hij niet vol barmhartigheid? Barmhartigheid is een wezenskenmerk van Jahweh, van de eeuwige God – en juist ten opzichte van Israël. Lees maar in Exodus 34:6 en Deuteronomium 4:31: ‘Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet loslaten’. We zien ook in dit detail weer iets van de Godheid van Christus aan het licht komen. Hij was altijd vol medelijden; dat was niet alleen maar een uiterlijke daad of houding van medelijden, maar hoe vaak lezen we dat Hij met innerlijke ontferming werd bewogen! Letterlijk: met ingewanden van ontferming. De ingewanden spreken van de diepste motieven en overwegingen. Inderdaad: de ontferming van de Heere Jezus, Zijn barmhartigheid… ze kwamen voort uit het diepst van Zijn ziel. Ze waren oprecht en echt.
We hebben in het kort iets mogen zien van de Heere Jezus in deze zeven uitdrukkingen. Als we deze kenmerken van de Heere Jezus op ons laten inwerken, beseffen we: wat ook onze dienst en taak is, de Heere Jezus is altijd het volkomen Voorbeeld voor elk van ons. In alles wat Hij deed, bleek steeds Zijn volmaakte ijver; alles wat Hij deed, deed Hij altijd met blijdschap, tot eer van Zijn God en Vader.
Geve de Heere dat die gezindheid ook ons meer mag kenmerken bij elke dienst die we voor Hem doen, zoals 1 Petrus 4:10-11 het ons zegt:
‘Naarmate ieder een genadegave heeft ontvangen, dient elkaar daarmee als goede rentmeesters … van God … opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen’.
E.H.W. Luimes