Een korte toelichting op de Bijbelse leer over de uitverkiezing
Het juiste begrip van de leer over de uitverkiezing is een gezichtspunt dat van groot belang is als het gaat om de zekerheid van behoudenis. Het verlossingswerk van de Heer Jezus op het kruis van Golgotha is namelijk niet de reactie van God op de zonde. Nee, dat werk is gebaseerd op een eeuwig plan. Dat eeuwige plan is het vaste besluit van God, anders gezegd: Zijn raadsbesluit. Daarin komt niet alleen Gods alwetendheid naar voren als Degene Die aan het begin het einde al kan verkondigen (Jes. 46:10). Nee, ook Zijn vastgestelde, onveranderlijke wil (Hand. 2:23, Ef. 1:11) en Zijn eeuwige voornemen (Ef. 3:11) blijken uit dit plan.
Het raadsbesluit van God is net zo eeuwig als Hij Zelf. Dat kunnen we concluderen uit de uitdrukkingen die de Heilige Geest in dit verband gebruikt: eeuwig voornemen (Ef. 3:10), voordat de wereld was (Joh. 17:5), voor alle eeuwen (1 Kor. 2:7), voor de tijden van de eeuwen (2 Tim. 1:9, Titus 1,2) en de uitdrukking ‘voor grondlegging van de wereld’, die drie keer voorkomt (Joh. 17:24; Ef. 1:4; 1 Petr. 1:20).
In de eeuwigheid voor de schepping van de wereld heeft God elke afzonderlijke gelovige gekend. Hij kende in Zijn alwetendheid uiteraard ook alle andere mensen (dus de ongelovigen), maar de voorkennis waarover de Bijbel spreekt heeft alleen betrekking op de gelovigen. Volgens Romeinen 8:29 zijn wij niet alleen tevoren gekend, maar ook tevoren bestemd tot het zoonschap. Hij wist wanneer wij geboren zouden worden en wie we zouden zijn als in zonde geboren mensen; maar Hij wist ook dat wij ons zouden bekeren en in Zijn Zoon zouden geloven! De voorkennis van God had een heel bepaald, heerlijk doel, dat overeenkwam met Zijn raadsbesluit en voornemens.
Uitverkoren (uitgekozen) in Christus
Met deze voorkennis van God is ook de uitverkiezing verbonden van allen die eens in de heerlijkheid samen met de Heer Jezus als hun Redder en Heer zullen genieten van de eeuwige vreugde, in gemeenschap met God de Vader. Want zoals Petrus meteen aan het begin van zijn eerste Brief schrijft, vond onze uitverkiezing plaats naar de voorkennis van God (1 Petr. 1:2).
De Brief aan Efeze beschrijft de persoonlijke en gemeenschappelijke zegeningen van hen die in de Heer Jezus geloven. In die Brief wordt ons meegedeeld dat wij in Christus zijn uitverkoren voor de grondlegging van de wereld; in Christus Die al voor de grondlegging van de wereld het Voorwerp van de liefde van de Vader was, en Die door Hem was voorgekend als het Offerlam (Ef. 1:4). Onze zegeningen zijn dus niet alleen maar het resultaat van de barmhartigheid van God ten opzichte van verloren zondaren, maar ze zijn gebaseerd op een besluit dat Hij al nam, voordat de wereld bestond en voordat één van ons geboren was of ook maar één enkele zonde had begaan. De oorsprong en het doel van deze Goddelijke uitverkiezing liggen dus helemaal buiten het kader van de schepping.
Het eeuwige raadsbesluit van God bestaat echter niet alleen in Zijn voorkennis en in de uitverkiezing van hen die in Zijn Zoon zouden geloven. Nee, het omsluit ook hun voorbestemming tot een wonderbaar, heerlijk, eeuwig deel. God heeft alles wat hiermee samenhangt van tevoren al tot in detail vastgelegd. De Heer Jezus werd niet alleen gekruisigd, omdat Zijn eigen volk Hem verwierp en omdat Pilatus als Romeinse stadhouder Hem tot de dood veroordeelde, maar omdat Gods hand en raadsbesluit het vooraf precies zó had bepaald (Hand. 4:28).
Ook de zegeningen die God in Christus voor de Zijnen vanaf de eeuwigheid bereid heeft (maar die in de tijd voor het kruis niet bekend waren), worden door de apostel Paulus in 1 Korinthe 2:7 Gods wijsheid in verborgenheid genoemd, een bedekte wijsheid, die God vóór alle eeuwen heeft voorbestemd tot onze heerlijkheid. En wanneer we aan onszelf denken, lezen we in Efeze 1:11 dat we tevoren bestemd zijn naar het voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil.
Niet verdergaan dan het Woord van God zegt!
Doordat sommigen verdergaan dan Gods Woord toelaat, worden de voorkennis, de uitverkiezing en de voorbestemming soms in een heel verkeerd kader geplaatst. Maar we mogen nooit uitgaan boven dat wat Gods Woord ons meedeelt. Daarin vinden we weliswaar heerlijke uitspraken over Gods eeuwige gedachten ten aanzien van hen die eenmaal bij Hem zullen zijn in de heerlijkheid. Maar we vinden in de hele Bijbel geen enkele plaats waar wordt gesproken over de eeuwige voorbestemming van andere mensen tot het eeuwige oordeel. De gedachte van een eeuwige uitverkiezing tot het eeuwige oordeel (tot de verdoemenis) vindt geen enkele grond in de Bijbel! Allen die eenmaal verloren zullen gaan, zullen hun rechtvaardige, verdiende straf over hun zonden ontvangen. En dat gebeurt niet, omdat God hen daartoe heeft voorbestemd, maar ze worden veroordeeld ‘naar hun werken’ (Openb. 20:11-15; verg. Rom. 9:22-24).
Voor het verstand van de natuurlijke mens schijnt hier een tegenspraak te bestaan waarmee hij niet uit de voeten kan. Maar voor het geloof geeft Jesaja 55:8-9 een eenvoudig antwoord: ‘Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten hoger dan uw gedachten’.
Gods wijsheid staat oneindig hoog boven onze zwakke inzichten. Maar toch geeft Hij ons in Zijn Woord zicht op Zijn raadsbesluiten, die Hij in de eeuwigheid vóór de schepping van de wereld heeft genomen over hen die Hij eenmaal wilde redden. Wanneer we daaraan vasthouden, zullen we bewaard blijven voor het verwijt: ‘Ja maar, o mens, wie zijt gij, dat gij tegen God het woord opneemt?’ Dat is een verwijt dat in Romeinen 9:20 wordt gericht tot hen die Gods soevereiniteit niet willen accepteren.
Arend Remmers