God is een God van vrede en orde

Een bekende voorganger onder de broeders heeft eens gezegd dat de samenkomsten van de gemeente op twee pijlers rusten. De eerste wordt in Mattheüs 18:20 genoemd en de tweede in 1 Korinthe 14:33. De eerste is de waarheid van Jezus Christus en Zijn tegenwoordigheid in het midden van de twee of drie die vergaderd zijn tot de belijdenis van Zijn Naam, rondom de Heere Jezus als Middelpunt. De tweede is de waarheid dat God niet een God is van verwarring, van ongeregeldheid, maar van welvoeglijkheid, vrede en Goddelijke orde. 

Heel vaak is er gesproken en geschreven over de eerste pijler. Hoe hebben wij de gedachte lief gekregen van het vergaderen in de Naam van de Heere Jezus; hoe hebben we ervoor gestreden en anderen er met overtuiging op gewezen. Maar daarbij hebben wij de tweede pijler wel wat uit het oog verloren, met het gevolg dat het mooie gebouw van de leer over de samenkomst en de inrichting van de gemeente scheuren vertoont. Daarom lijkt het mij goed en nodig om de bijzondere aandacht op deze zijde van de waarheid te vestigen. 

God is een God van orde. Dit zien wij allereerst in de schepping, in de natuur. God heeft wateren en bergen een perk gezet, het zand van de zee tot een paal gesteld. Hij zegt: ‘Tot hiertoe en niet verder’ en niets mag Zijn bevel overtreden door zijn plaats te verlaten. Hij heeft de maan gemaakt tot gezette tijden en de zon weet haar ondergang. Hij noemt de sterren bij naam, daar wordt er niet één gemist. Dit nemen wij óók waar in het dagelijkse leven. 

Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft Hij in al Zijn doen en handelen getoond Wie God is. Het kwam dan ook in Zijn hele optreden uit dat God een God van orde is! Hij ging op de dag van de sabbat naar Zijn gewoonte naar de synagoge. Hij stond daar op om te lezen, kreeg een boek van de wet of de profeten, rolde het op nadat Hij het gelezen had en gaf het aan de dienaar terug. Hij liet de mensen ordelijk neerzitten op een uitgezochte plaats. Hij gaf bevel dat zij in groepen zouden zitten, in afdelingen van honderd en van vijftig, in rijen elk van vijftig (Mark. 6:39-40; Luk. 9:14). Hij liet, terwijl allen zaten, de stukken brood en vis uitdelen. Toen allen verzadigd waren, liet Hij de overgeschoten brokken verzamelen in twaalf korven. 

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde. Ook nu is Hij het, de grote Schepper, Die alle dingen met regel en orde doet en onderhoudt. Geen bloem of vogel wordt door Hem vergeten. Zouden Gods kinderen dan bezorgd moeten zijn? Mogen ze niet rekenen op Hem Die alles op Zijn tijd beschikt en werkt? Wil Hij hun niet leren in hun gezin, in hun zaken en in hun werk, dat God niet een God van verwarring is maar van vrede (dit betekent van rustige regeling en ordening)? 

Welnu, dan geldt dit belangrijke Goddelijke beginsel toch zeker in de samenkomst en inrichting van de gemeente van God. Daar zien zelfs de engelen toe of er rekening wordt gehouden met de voorschriften van God, of alle dingen onderhouden worden zonder vooroordeel, niet naar gunst, maar eerlijk en trouw, naar de regel van God voor de gemeenten. 

Het is een heerlijke waarheid dat in de gemeente van God zich op bijzondere wijze de leiding van de Heilige Geest laat gelden. De Geest geeft gaven, woorden van wijsheid, kennis en onderscheiding, helpers, broeders die geschikt zijn om te besturen en te leiden (vgl. 1 Kor. 12:28). Alle gelovigen zijn priesters voor God die met aanbidding en in voorbidding tot de troon van de genade mogen naderen. Maar alleen de mannen moeten daartoe in alle plaatsen in de gemeenten heilige handen opheffen, zonder toorn en twist; de vrouwen moeten in de openbare dienst in het midden van de gemeente zwijgen, omdat het hun, naar Gods scheppingsorde, niet betaamt en niet vergund is er in de tegenwoordigheid van de man op te treden. 

Verder heeft de God van orde aan sommigen bijzondere gaven gegeven en de maat van die gaven, van elke gave, bepaald. Ieder moet dan ook gematigd denken over zichzelf, niet hoger dan het behoort. Ieder moet besteden wat hem is toebedeeld en toegemeten en tezamen moeten allen ernaar streven om overvloedig te zijn tot stichting van de gemeente.

Men moet niet alleen zingen en bidden met de geest, met geestelijk gevoel, maar ook met het verstand. Men moet bedenken dat niet maar allerlei eigen gedachten, goed bedoelde bijdragen hetzelfde is als ‘door de Heilige Geest’ geleid te worden! Er moet nuchter worden overwogen of dat wat men gaat doen, tot opbouw is, want alle dingen moeten in de gemeente gebeuren tot opbouw (zie 1 Kor. 14). 

Men moet ook geneigd zijn acht te geven op het oordeel van anderen en bedenken dat de geesten van de profeten de profeten onderdanig zijn (1 Kor. 14:32). Niet minder geldt het Goddelijke orde-beginsel met betrekking tot de Gemeente als het huis van God in haar uiterlijke openbaring. Als zodanig is de Gemeente van de levende God pilaar en grondslag van de waarheid, draagster van de gedachten van God, handhavende Zijn eer, wakende voor de Goddelijke heiligheid en orde in haar midden. 

Daarom gaf God voor alle tijden, door Christus en door de Geest, aan sommigen de bediening van de opbouw van het Lichaam van Christus. Daarom gaf Hij broeders die leidinggeven en voorgangers, vol geloof en trouw van wandel, die om hun werk hooggeacht moeten worden, die men moet gehoorzamen en onderdanig zijn, omdat zij waken over de zielen. 

Daarom ook wees Hij opzieners aan om acht te geven op zichzelf en op de kudde van God en gaf Hij oudsten en dienaars, opdat in Zijn Gemeente, zowel wat de geestelijke als stoffelijke noden betreft, alles ordelijk zou worden ingericht en bestuurd. Mannen vol van de Heilige Geest moesten de tafels dienen, de weduwen en wezen verzorgen (Hand. 6). Mannen vol geloof en wijsheid moesten tot opzieners worden aangesteld, opdat de schapen en lammeren van de kudde zouden worden bewaard voor onverhoedse overvallen en zouden worden geweid en geleid. 

Nu is het ontegenzeggelijk waar dat, net zoals door de zondeval in de schepping in de natuur veel verdorven is en niet tot haar recht kan komen, ook in de Gemeente door haar verval verwarring en onvrede is ontstaan. Maar dit neemt niet weg dat de ordeningen, de beginselen van God, toch dezelfde blijven en dat er zowel in het dagelijkse als in het geestelijke gemeenteleven terdege rekening mee gehouden moet worden. Zoals wij het brood breken aan de tafel van de Heere, hoewel de Gemeente verdeeld is en als geheel niet samenkomt, zo moeten wij ook, al is de Gemeente niet in één plaats als geheel bijeen, wat betreft het besteden van de geestelijke gaven en het plaatselijke toezicht op de stoffelijke gaven en de gelovigen in het dagelijks leven, rekening houden met de voorschriften van God, die ons zo duidelijk in het Nieuwe Testament zijn meegedeeld. 

God is een God van vrede en orde. Laten wij, om het grote belang van deze waarheid, in het bijzonder voor ons als broeders die vergaderen tot de Naam van de Heere Jezus, haar ernstig overwegen en God bidden om ons oog en hart te openen voor de grote betekenis ervan, vooral ten opzichte van onze gemeentelijke openbaring.

J.N. Voorhoeve